Gallery CollectionArtistsNewsJan Toorop Kunsthandel Studio 2000Highlights  Kunsthandel Studio 2000Expositie en tentoonstellingen bij Kunsthandel Studio 2000

De schildersfamilie Góth

De schildersfamilie Góth - Maurice, zijn vrouw Ada en dochter Sárika - kwamen uit Hongarije. Ze maakten vele reizen. Toen Maurice Góth en zijn vrouw in 1914 terugkeerden van een ver­blijf van een half jaar in Amerika en samen met de toen 14-jarige Sárika in de Belgische badplaats De Panne logeerden, brak de Eerste Wereldoorlog uit. Een grote stroom vluchtelin­gen kwam op gang, onder andere naar Zeeland. Toorop was die zomer in Domburg. Hij trok zich hun lot sterk aan, zoals onder andere blijkt uit de serie teke­nin­gen die hij van Belgische vluchtelingen maakte. Ook de familie Góth vluchtte naar Zeeland. In En het leven droom *) vertelt Francisca van Vloten dat de Góths in het Middelburgse Hotel du Com­merce waren gestrand, waar ze Jan Toorop ontmoetten die op weg was van Domburg naar Den Haag. Hij raadde hen aan naar Domburg te gaan, waar ze hartelijk werden ontvangen. Mau­rice Góth werd opgenomen in de ‘Dom­burg­se groep’ en deed van 1915 tot 1919 mee aan de exposities.

Maurice Góth (1873-1944) studeerde aanvanke­lijk rechten, maar wilde schilder worden. Aan de tekenacademie in München leerde hij zijn toe­kom­stige echtgenote Ada Löwith kennen. Ze verhuis­den naar Wenen waar in 1900 hun dochter Sárika werd geboren. Goth studeerde verder in Wenen, later enige tijd in Parijs. Hij exposeerde in Budapest, ontving prijzen en maakte reizen naar onder andere België en Nederland waar hij verwantschap voelde met de schilders van de Haagse School. Ada en Sárika waren zijn geliefde modellen, daarnaast schilderde hij land­schappen en - zoals in Bretagne - stranden en boten. Hij zou ook bekend worden door zijn straattaferelen, paarden, inte­rieurs en stillevens. Góth was ijverig en consciëntieus, maar ook rusteloos. De Góths maakten meerdere reizen naar Italië. In Amerika kon Maurice niet wennen, hij keerde graag terug naar Europa.

De familie bleef in Domburg. In 1918 exposeerde Maurice weer in Budapest. Hij kreeg lovende kritieken en verkocht een groot aantal doeken. Maar voor de laatste tentoonstelling van de ‘Domburgse groep’ werd hij niet uitgenodigd. Tot grote verba­zing van Jan Toorop die op reis was geweest en zich met deze expositie weinig had bemoeid. ‘Het spijt mij ontzettend dat men u vergeten heeft’, schreef Toorop.

Francisca van Vloten wijst erop dat die tentoon­stelling naast naturalisme en impressionisme ruim aandacht gaf aan luminisme, kubisme en expres­sionisme en dat Maurice Góth heel goed lijkt te passen in de rij van deelnemers: Lizzy Ansingh, Sara Bis­schop, Suze Bisschop-Robertson, Lucie van Dam van Isselt, Mies Elout-Drabbe, Bernard Essers, Jan Frank, Jacoba van Heem­skerck, Jan Heyse, Vilmos Huszár, Miek Janssen, M. de Jon­ge, J.F.E. ten Klooster, Louis Saalborn, Lode­wijk Schelfhout, Paul Schultze, W.J. Schütz, Henry van der Stock, Charley Toorop, Jan Toor­op, Roline Wichers Wierdsma en Matthieu Wiegman.

De ‘vergeten’ Maurice Góth organiseerde toen, in de Domburgse Zuidstraat, een eigen tentoonstel­ling van werken die hij eerder in Bretagne en België had gemaakt. Hij had ze bij het uit­breken van de oorlog moeten achterlaten, pas sinds kort waren ze weer in zijn bezit. De Middelburgse Courant noemde hem ‘een vlotte tekenaar en een kleurgevoelig schilder die vooral in fijn-genu­an­ceerde grijze tinten veel moois geeft’.

In 1921 gingen Maurice en Ada weer in Honga­rije wonen. Pas in 1928 lieten ze zich van Dom­burg naar Budapest over­schrijven, maar een jaar later vestigden ze zich definitief in Nederland. Ze kochten het uit 1570 daterende huis De Gouts­bloeme aan de Markt in Veere. Daar leidden ze een min of meer teruggetrokken bestaan, ook al maakten ze nog reizen naar Budapest, Polen, St. Tropez en Londen. Maurice legde zich nu ook toe op beeldhouwen. Op de najaarstentoonstelling van Arti et Amicitiae in Amsterdam exposeerde hij kleine, fijnzinnige plastieken. Over zijn werk als schilder had C.K. Elout eerder in het Handels­blad geschreven: ‘Het zijn vooral de kleur, het licht, de atmosfeer en het sentimentaspect van een gegeven die Góth treffen’.

Kort na het uitbreken van de Tweede Wereldoor­log werd het huis De Goutsbloeme door de Duitse bezetter gevorderd. Maurice en Ada trokken tijdelijk in bij hun dochter Sárika in Amsterdam. Ze vonden een huis aan de Apollolaan waar Maurice Góth in 1944 op 71-jarige leeftijd overleed.

 

Sárika Góth wilde eerst schrijfster worden. Ze had een deel van haar jeugd, toen haar ouders veel reisden, op kostscholen doorgebracht. Ze had altijd veel gelezen, ze bezocht tentoon­stellingen. Toen zij als 14-jarig meisje in Domburg kwam, hield ze zich bezig met het overbrengen van Hongaarse motieven op houten doosjes en op schrijfmappen die in de winkel van de vader van J.C. van Schagen werden verkocht. De schrijver Arthur van Schendel, al snel bevriend geraakt met de familie Góth, vond dat ze moest gaan tekenen en schilderen en deed haar een verfdoos cadeau. Ook Toorop stimuleerde haar. Ze mocht drie maanden lang gaan tekenen bij Jo Koster in Laren, ze volgde een studieperiode bij een pot­ten­bakster en oefende in de winter van 1917 -1918 in Artis in het tekenen van bewegen­de mo­dellen. Daarna ging ze verder studeren aan de Haagse Academie. En natuurlijk waren er de Domburgse zomers. Francis­ca van Vloten vermeldt een aardig moment: ze wandelt met Toorop op een druilerige dag langs het strand en verzucht: ‘Hè, ik wil zo graag schilderen, maar het regent de hele dag.’ Toorop kijkt haar van opzij aan en zegt: ‘Dan moet je de regen schil­deren.’

In 1923 ging ze lessen volgen bij Hans Hofmann in München. Had Toorop haar gewezen op het belang van de kleur, de lijn en de fantasie, Hof­­mann leerde haar dat een goed schilderij het ritme van zijn onderwerp weergeeft. Terug in Nederland expo­seerde Sárika samen met haar vader bij Esher Surrey in Den Haag. In dagblad­kritieken werd zij een ‘fris en pittig’ talent ge­noemd. Ze ging lessen nemen bij André Lothe in Parijs en maakte haar vroege kinderportretten, een genre waarin ze de volgende decennia een hoog niveau bereikte. Door die portret­ten -ge­­voe­lig, expressief, vaak in tere kleuren geschil­derd - groeide haar bekendheid.

Nadat haar ouders in 1929 terugkeerden uit Hongarije en in Veere waren gaan wonen, bracht Sárika de zomermaanden ook in het schilder­ach­tige stadje door, waar toen overigens meer kun­­­ste­naars waren neergestreken. De winter­­maanden bleef ze in Amsterdam, waar ze aan haar portretopdrachten werkte. In de jaren dertig reisde ze vaak naar Italië. In 1935 verscheen bij Bosch & Keuning het boek Sári Góth, een beeld van haar werk in 15 reproducties, met een woord vooraf van Maria Viola en een inleiding van Sárika Góth zelf. Eind 1939 exposeerde ze, samen met haar vader, op de ledententoonstelling ter gelegenheid van het eeuwfeest van Arti et Amicitiae. Doordat enkele van haar kinder­por­tretten waren opgenomen in de C.H. de Jonge-collectie was Sárika Góth vertegenwoordigd op de International Women Painters-Sculptors-Gravers-tentoonstelling in het Riverside Museum in New York. In 1940 kreeg ze de opdracht voor de Oranjekalender een portret van de twee jaar oude prinses Beatrix te maken. Door de Duitse inval, enkele maanden later, is die kalender niet verschenen. Toen de kunstenaarsvereniging Arti et Amicitiae zich bij de, door de bezetter inge­stelde, Kultuurkamer aansloot, bedankte zij als lid.

Haar ouders hadden Veere moeten verlaten en waren in Amsterdam komen wonen. Op zijn sterfbed maakte Sárika Góth een prachtige houtskooltekening van Maurice, gedateerd 12 juli 1944. Ze zette de vredig ingeslapen vader sereen en met veel liefde op het papier. Na de oorlog keerde ze samen met haar moeder terug naar Veere. Het huis De Goutsbloeme had als gevolg van de inundatie van Walcheren flink wat water­schade opgelopen en moest worden opgeknapt. Sárika was in Londen voor een opdracht toen haar moeder in 1950 op 73-jarige leeftijd onverwacht overleed.

Sárika hield vast aan haar gewoonte de zomer­maanden in Veere door te brengen. Vanaf 1953 richtte ze zich, naast de portret­ten, meer en meer op vrij werk. Die ontwikkeling was goed te vol­gen toen ze in Veere regelmatig in De Gouts­bloeme exposeer­de. Haar eigen tuin werd een belangrijk onderwerp voor schil­derijen in over­wegend pastelkleuren die een sterke, soms licht surrealistische sfeer opriepen. Ook maakte haar werk duidelijk dat ze zich liet inspireren door onder anderen Klee en Miró.

In De Goutsbloeme, waar ze omringd was met werk van haarzelf en van haar vader, begon ze voor de aardigheid ook een antiek­zaak. In 1955 behoorde zij tot de oprichters van De Zeeuwse Kunstkring waar onder anderen J.C. van Schagen, Claire Bone­bakker, Wim Vaarzon Morel en Louis Heymans zich bij aansloten.

Sárika organiseerde nog twee tentoonstellingen van werk van haar vader, in 1955 in Wateringen en in 1973 in De Schotse Huizen in Veere. Bij de opening in Wateringen wees Anna Wag­ner, pu­bli­ciste en werkzaam bij de Dienst voor Schone Kunsten in Den Haag, op de contacten met in­ter­na­tionale stromingen die de op Walcheren werkende kunstenaars omstreeks 1912 onderhiel­den. In 1971 exposeerde Sárika Góth nog in de Parijse Galerie St. Germain, in 1982 in Bonn, in 1985 in De Schotse Huizen in Veere, in 1987 in Knokke en in 1990 in Barneveld. Ze was net 92 geworden toen ze op 1 april 1992 in De Gouts­bloeme over­leed.