Kunst in Domburg
Echo’s uit een rijke Domburgse periode
In de Domburgse galerie Het Noorderlicht is jaarlijks de zomertentoonstelling te zien met werken van onder anderen Jan Toorop, Piet Mondriaan, Jan Sluijters, Maurice Góth, Geert von Brucken Fock en Ferdinand Hart Nibbrig. Wat verbindt deze schilders? Ze kwamen geen van allen uit Zeeland, maar ontmoetten elkaar in Domburg, in de jaren dat daar ‘s zomers een ware kunstenaarskolonie bestond met Jan Toorop als centrale figuur. Toorop (1858-1928) woonde in Den Haag toen hij in 1897 voor het eerst een zomer naar Domburg kwam. Dat zou hij tot 1922 blijven doen. Aan het eind van de vorige eeuw genoot hij al een indrukwekkende, internationale reputatie. De onvermoeibare Toorop was niet alleen een begaafd schilder, tekenaar en ontwerper, ook had hij het vermogen contacten te leggen, vrienden te maken en mensen bij elkaar te brengen. Hij maakte andere kunstenaars enthousiast voor Domburg en weer andere kunstenaars kwamen zich nieuwsgierig op de hoogte stellen van wat zich daar ‘s zomers afspeelde. Zo was er rond Toorop in 1907 een kunstenaarskolonie ontstaan. Toen een aantal van hen in 1910 deelnam aan de St. Lucastentoonstelling in Amsterdam, sprak de kunstwereld van ‘de triomf van Domburg’. Het abstraherende werk van Mondriaan was dé sensatie, het zinderende luminisme van Toorop was voor sommigen nog te modern, maar anderen prezen het uitbundig. In Domburg exposeerde de groep in een eigen, door Toorop ontworpen tentoonstellingsgebouwtje. Toen het in 1922 door zware winterstormen werd verwoest en de inmiddels aan beide benen verlamd geraakte Toorop niet meer naar Walcheren kwam, betekende dat het einde van de kunstenaarskolonie die vijftien jaar had bestaan.
Dat alles is driekwart eeuw geleden. Maar die roemruchte periode is niet vergeten en voor tal van mensen heeft de naam Domburg nog altijd de bijklank van kunst. Van schilderkunst, om precies te zijn. Jan Huibers, de eigenaar van galerie Het Noorderlicht, heeft dat vorig jaar kunnen vaststellen: ‘Er kwamen bezoekers op de tentoonstelling die een oude relatie hebben met het Domburg van vroeger,’ vertelt hij. ‘Sommigen kregen dat van ouderen mee, anderen hadden zich verdiept in de geschiedenis van de badplaats en de kunstenaarskolonie in de zomer. Dat beeld van Domburg blijkt nog steeds te leven. Ik kon merken dat men het op prijs stelt dat een tentoonstelling van kunstenaars uit die tijd dat beeld nog versterkt’.
Elke zomer exposeert Galerie Het Noorderlicht in samenwerking met Studio 2000 opnieuw een aantal belangrijke werken van kunstenaars die een band met Walcheren hebben gehad: Jan Toorop, Maurice Góth, Sárika Góth, Reimond Kimpe en anderen.
De schildersfamilie Góth - Maurice, zijn vrouw Ada en dochter Sárika - kwamen uit Hongarije. Ze maakten vele reizen. Toen Maurice Góth en zijn vrouw in 1914 terugkeerden van een verblijf van een half jaar in Amerika en samen met de toen 14-jarige Sárika in de Belgische badplaats De Panne logeerden, brak de Eerste Wereldoorlog uit. Een grote stroom vluchtelingen kwam op gang, onder andere naar Zeeland. Toorop was die zomer in Domburg. Hij trok zich hun lot sterk aan, zoals onder andere blijkt uit de serie tekeningen die hij van Belgische vluchtelingen maakte. Ook de familie Góth vluchtte naar Zeeland. In En het leven droom *) vertelt Francisca van Vloten dat de Góths in het Middelburgse Hotel du Commerce waren gestrand, waar ze Jan Toorop ontmoetten die op weg was van Domburg naar Den Haag. Hij raadde hen aan naar Domburg te gaan, waar ze hartelijk werden ontvangen. Maurice Góth werd opgenomen in de ‘Domburgse groep’ en deed van 1915 tot 1919 mee aan de exposities.
Maurice Góth (1873-1944) studeerde aanvankelijk rechten, maar wilde schilder worden. Aan de tekenacademie in München leerde hij zijn toekomstige echtgenote Ada Löwith kennen. Ze verhuisden naar Wenen waar in 1900 hun dochter Sárika werd geboren. Goth studeerde verder in Wenen, later enige tijd in Parijs. Hij exposeerde in Budapest, ontving prijzen en maakte reizen naar onder andere België en Nederland waar hij verwantschap voelde met de schilders van de Haagse School. Ada en Sárika waren zijn geliefde modellen, daarnaast schilderde hij landschappen en - zoals in Bretagne - stranden en boten. Hij zou ook bekend worden door zijn straattaferelen, paarden, interieurs en stillevens. Góth was ijverig en consciëntieus, maar ook rusteloos. De Góths maakten meerdere reizen naar Italië. In Amerika kon Maurice niet wennen, hij keerde graag terug naar Europa.
De familie bleef in Domburg. In 1918 exposeerde Maurice weer in Budapest. Hij kreeg lovende kritieken en verkocht een groot aantal doeken. Maar voor de laatste tentoonstelling van de ‘Domburgse groep’ werd hij niet uitgenodigd. Tot grote verbazing van Jan Toorop die op reis was geweest en zich met deze expositie weinig had bemoeid. ‘Het spijt mij ontzettend dat men u vergeten heeft’, schreef Toorop.
Francisca van Vloten wijst erop dat die tentoonstelling naast naturalisme en impressionisme ruim aandacht gaf aan luminisme, kubisme en expressionisme en dat Maurice Góth heel goed lijkt te passen in de rij van deelnemers: Lizzy Ansingh, Sara Bisschop, Suze Bisschop-Robertson, Lucie van Dam van Isselt, Mies Elout-Drabbe, Bernard Essers, Jan Frank, Jacoba van Heemskerck, Jan Heyse, Vilmos Huszár, Miek Janssen, M. de Jonge, J.F.E. ten Klooster, Louis Saalborn, Lodewijk Schelfhout, Paul Schultze, W.J. Schütz, Henry van der Stock, Charley Toorop, Jan Toorop, Roline Wichers Wierdsma en Matthieu Wiegman.
De ‘vergeten’ Maurice Góth organiseerde toen, in de Domburgse Zuidstraat, een eigen tentoonstelling van werken die hij eerder in Bretagne en België had gemaakt. Hij had ze bij het uitbreken van de oorlog moeten achterlaten, pas sinds kort waren ze weer in zijn bezit. De Middelburgse Courant noemde hem ‘een vlotte tekenaar en een kleurgevoelig schilder die vooral in fijn-genuanceerde grijze tinten veel moois geeft’.
In 1921 gingen Maurice en Ada weer in Hongarije wonen. Pas in 1928 lieten ze zich van Domburg naar Budapest overschrijven, maar een jaar later vestigden ze zich definitief in Nederland. Ze kochten het uit 1570 daterende huis De Goutsbloeme aan de Markt in Veere. Daar leidden ze een min of meer teruggetrokken bestaan, ook al maakten ze nog reizen naar Budapest, Polen, St. Tropez en Londen. Maurice legde zich nu ook toe op beeldhouwen. Op de najaarstentoonstelling van Arti et Amicitiae in Amsterdam exposeerde hij kleine, fijnzinnige plastieken. Over zijn werk als schilder had C.K. Elout eerder in het Handelsblad geschreven: ‘Het zijn vooral de kleur, het licht, de atmosfeer en het sentimentaspect van een gegeven die Góth treffen’.
Kort na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd het huis De Goutsbloeme door de Duitse bezetter gevorderd. Maurice en Ada trokken tijdelijk in bij hun dochter Sárika in Amsterdam. Ze vonden een huis aan de Apollolaan waar Maurice Góth in 1944 op 71-jarige leeftijd overleed.
Sárika Góth wilde eerst schrijfster worden. Ze had een deel van haar jeugd, toen haar ouders veel reisden, op kostscholen doorgebracht. Ze had altijd veel gelezen, ze bezocht tentoonstellingen. Toen zij als 14-jarig meisje in Domburg kwam, hield ze zich bezig met het overbrengen van Hongaarse motieven op houten doosjes en op schrijfmappen die in de winkel van de vader van J.C. van Schagen werden verkocht. De schrijver Arthur van Schendel, al snel bevriend geraakt met de familie Góth, vond dat ze moest gaan tekenen en schilderen en deed haar een verfdoos cadeau. Ook Toorop stimuleerde haar. Ze mocht drie maanden lang gaan tekenen bij Jo Koster in Laren, ze volgde een studieperiode bij een pottenbakster en oefende in de winter van 1917 -1918 in Artis in het tekenen van bewegende modellen. Daarna ging ze verder studeren aan de Haagse Academie. En natuurlijk waren er de Domburgse zomers. Francisca van Vloten vermeldt een aardig moment: ze wandelt met Toorop op een druilerige dag langs het strand en verzucht: ‘Hè, ik wil zo graag schilderen, maar het regent de hele dag.’ Toorop kijkt haar van opzij aan en zegt: ‘Dan moet je de regen schilderen.’
In 1923 ging ze lessen volgen bij Hans Hofmann in München. Had Toorop haar gewezen op het belang van de kleur, de lijn en de fantasie, Hofmann leerde haar dat een goed schilderij het ritme van zijn onderwerp weergeeft. Terug in Nederland exposeerde Sárika samen met haar vader bij Esher Surrey in Den Haag. In dagbladkritieken werd zij een ‘fris en pittig’ talent genoemd. Ze ging lessen nemen bij André Lothe in Parijs en maakte haar vroege kinderportretten, een genre waarin ze de volgende decennia een hoog niveau bereikte. Door die portretten -gevoelig, expressief, vaak in tere kleuren geschilderd - groeide haar bekendheid.
Nadat haar ouders in 1929 terugkeerden uit Hongarije en in Veere waren gaan wonen, bracht Sárika de zomermaanden ook in het schilderachtige stadje door, waar toen overigens meer kunstenaars waren neergestreken. De wintermaanden bleef ze in Amsterdam, waar ze aan haar portretopdrachten werkte. In de jaren dertig reisde ze vaak naar Italië. In 1935 verscheen bij Bosch & Keuning het boek Sári Góth, een beeld van haar werk in 15 reproducties, met een woord vooraf van Maria Viola en een inleiding van Sárika Góth zelf. Eind 1939 exposeerde ze, samen met haar vader, op de ledententoonstelling ter gelegenheid van het eeuwfeest van Arti et Amicitiae. Doordat enkele van haar kinderportretten waren opgenomen in de C.H. de Jonge-collectie was Sárika Góth vertegenwoordigd op de International Women Painters-Sculptors-Gravers-tentoonstelling in het Riverside Museum in New York. In 1940 kreeg ze de opdracht voor de Oranjekalender een portret van de twee jaar oude prinses Beatrix te maken. Door de Duitse inval, enkele maanden later, is die kalender niet verschenen. Toen de kunstenaarsvereniging Arti et Amicitiae zich bij de, door de bezetter ingestelde, Kultuurkamer aansloot, bedankte zij als lid.
Haar ouders hadden Veere moeten verlaten en waren in Amsterdam komen wonen. Op zijn sterfbed maakte Sárika Góth een prachtige houtskooltekening van Maurice, gedateerd 12 juli 1944. Ze zette de vredig ingeslapen vader sereen en met veel liefde op het papier. Na de oorlog keerde ze samen met haar moeder terug naar Veere. Het huis De Goutsbloeme had als gevolg van de inundatie van Walcheren flink wat waterschade opgelopen en moest worden opgeknapt. Sárika was in Londen voor een opdracht toen haar moeder in 1950 op 73-jarige leeftijd onverwacht overleed.
Sárika hield vast aan haar gewoonte de zomermaanden in Veere door te brengen. Vanaf 1953 richtte ze zich, naast de portretten, meer en meer op vrij werk. Die ontwikkeling was goed te volgen toen ze in Veere regelmatig in De Goutsbloeme exposeerde. Haar eigen tuin werd een belangrijk onderwerp voor schilderijen in overwegend pastelkleuren die een sterke, soms licht surrealistische sfeer opriepen. Ook maakte haar werk duidelijk dat ze zich liet inspireren door onder anderen Klee en Miró.
In De Goutsbloeme, waar ze omringd was met werk van haarzelf en van haar vader, begon ze voor de aardigheid ook een antiekzaak. In 1955 behoorde zij tot de oprichters van De Zeeuwse Kunstkring waar onder anderen J.C. van Schagen, Claire Bonebakker, Wim Vaarzon Morel en Louis Heymans zich bij aansloten.
Sárika organiseerde nog twee tentoonstellingen van werk van haar vader, in 1955 in Wateringen en in 1973 in De Schotse Huizen in Veere. Bij de opening in Wateringen wees Anna Wagner, publiciste en werkzaam bij de Dienst voor Schone Kunsten in Den Haag, op de contacten met internationale stromingen die de op Walcheren werkende kunstenaars omstreeks 1912 onderhielden. In 1971 exposeerde Sárika Góth nog in de Parijse Galerie St. Germain, in 1982 in Bonn, in 1985 in De Schotse Huizen in Veere, in 1987 in Knokke en in 1990 in Barneveld. Ze was net 92 geworden toen ze op 1 april 1992 in De Goutsbloeme overleed.
De Vlaming Reimond Kimpe (1885-1970) vestigde zich in 1918 in Middelburg. Hoewel hij de nadagen van de ‘Domburgse groep’ nog had kunnen meemaken, lijkt hij geen contact te hebben gehad met de kunstenaars rond Jan Toorop die er ‘s zomers bijeen kwamen. Toch zou hij bijna een halve eeuw de belangrijkste Zeeuwse schilder zijn.
Kimpe werd geboren in Gent. Daar studeerde hij af als civiel ingenieur, maar de techniek had niet zijn voorkeur. Hij ging verzen, verhalen en toneelstukken schrijven, verkeerde in kunstenaarskringen en kwam in contact met de schilders De Saedeleer, Minne, Van de Woestijne, De Smet en Permeke. Hij herkende zijn roeping: tekenen en schilderen. Kimpe koesterde nog een tweede ambitie: vechten voor de Vlaamse ontvoogding. Zoals vele andere flaminganten zag hij in 1914 in de binnenvallende Duitse bezetter een bondgenoot in de strijd tegen de Franstalige overheersing. Wegens die houding werd Kimpe veroordeeld. Hij week tijdig uit naar Nederland en ging met zijn gezin in Middelburg wonen.
Vanaf dat moment gaf hij zich geheel over aan de schilderkunst. Zijn vroege werk toont nog verwantschap met het Vlaams expressionisme van Permeke. Kimpe toonde zich een sterk tekenaar en al vroeg lukte het hem zijn schilderijen een diep doorwerkende, gelaagde kleurstructuur mee te geven. Hij moet gegrepen zijn door zijn nieuwe woongebied, want gulzig stortte hij zich op de Zeeuwse havens, oude huizen, boeren, boerinnen en matrozen. Talrijk zijn zijn interpretaties van de haven en de zware, grote kerk van Veere. Binnen zijn hechte composities toonde hij zich vaak een romantisch schilder met een gevoelig, soms dramatisch kleurgebruik.
Kimpe kreeg snel erkenning. Ook buiten Zeeland werd de naam van de Vlaamse meester genoemd. Behalve in Middelburg exposeerde hij onder andere in Amsterdam, Den Haag, Arnhem en Maastricht. Hij maakte reizen naar Frankrijk, Italië, Spanje en Tirol.
Bij het bombardement van Middelburg, op 17 mei 1940, werd zijn atelier getroffen en verbrandden meer dan tweehonderd van zijn doeken. Maar hij bleef flamingant en toen hij er tijdens de Tweede Wereldoorlog blijk van gaf dat hij zijn pro-Duitse sympathieën niet had afgezworen, werd dat door velen betreurd. Het zorgde voor een tijdelijke verwijdering van vrienden en bekenden. Maar dat duurde niet lang, hij had zich tijdens de bezetting niet misdragen en zijn Zeeuwse omgeving kon wel begrip opbrengen voor de flamingant. Kimpe werd weer opgenomen in de Zeeuwse gemeenschap die vooral oog had voor zijn schildertalent.
Na een periode waarin Kimpe enige affiniteit had getoond met het magisch realisme, onderging zijn werk een sterke invloed van het kubisme. Er verschenen strakke lijnen in zijn composities, voorstellingen van bloemen, stillevens of dieren werden doorsneden en met de achtergrond verbonden. Die ontwikkeling zette verder door, het spel van vaak rechte lijnen kreeg steeds meer het karakter van constructies. Het was alsof Kimpe’s ingenieursopleiding doorbrak in zijn schilderijen. Via de kunstenaar Otto van Rees - die overigens omstreeks 1903 al enkele zomers naar Domburg was gekomen - had Kimpe kennis gemaakt met het werk van constructivisten als Juan Torres Garcia, de oprichter van de Asociación de Arte Constructivo in Montevideo.
In Kimpe’s latere werk verdwijnen de gedempte tonen naar de achtergrond en overheersen hardere, vaak bijna primaire kleuren. De typisch Zeeuwse thema’s maakten plaats voor universele voorstellingen: abstracties en al dan niet geabstraheerde menselijke figuren en portretten in een vaak raadselachtige omgeving. Hij klonk zijn romantische dromen in een constructivistisch frame. Dat maakt veel van zijn werken in zichzelf besloten. Hermetisch soms.
Reimond Kimpe is tot zijn dood in 1970 in Middelburg blijven wonen. Ooit omschreef hij zijn artistieke opvatting met de woorden: ‘Men moet de natuurvormen leren dromen, en dan maar wachten op de Speelman.’
Van de overige kunstenaars van wie dit jaar werk in de galerie Het Noorderlicht te zien is, moet Louis Heymans hier worden genoemd. Hij maakte enigszins verstilde werken, zoals een gezicht op Veere waarin een dromerig blauw overheerst. Louis Heymans was vele jaren tekenleraar in Middelburg. Al vroeg maakte hij zijn leerlingen deelgenoot van zijn diepe bewondering voor Picasso, in een tijd dat het werk van de Spaanse meester nog door velen werd verketterd.
Galerie Het Noorderlicht is gehuisvest in de voormalige, uit de jaren veertig daterende gereformeerde kerk aan de Noordstraat. Jan Huibers - directeur van een kunstveilingbedrijf in Veenendaal - komt met zijn familie al 35 jaar in Domburg. Toen gereformeerden en hervormden enkele jaren geleden samengingen en hun diensten hielden in de oude dorpskerk met de karakteristieke - talloze malen getekende en geschilderde - toren, kwam het kerkgebouw aan de Noordstraat leeg te staan. Huibers kon het kopen, de kerkeraad vond dat het als galerie een goede bestemming kreeg. Huibers organiseerde er enkele kunstveilingen, de belangstelling voor de galerie kwam op gang. Die is nu versneld door de samenwerking met de Amsterdamse Studio 2000 Art Gallery. Die samenwerking ontstond twee jaar geleden toen Howard Myers, directeur van Studio 2000, de galerie van Huibers in Domburg bezocht. Ze waardeerden de kwaliteit van elkaars kunstaanbod. De 1998-tentoonstelling in Het Noorderlicht waarvoor beiden werk inbrachten, was de eerste vrucht van hun samenwerking.
‘En een groot succes,’ vertelt Huibers. ‘Er zijn veel bezoekers geweest en we kregen enorm veel reacties. Ook uit het buitenland. We hebben hier zelfs klanten gehad uit Singapore.’ De tentoonstellingen in Het Noorderlicht zijn als echo’s uit een rijke Domburgse periode. Ze houden dat verleden levend. Het blijkt dat veel kunstliefhebbers daar waardering voor hebben. Er is behoefte aan die tastbare herinnering, aan het bewaren van die Domburgse roem. ‘Ik heb zelfs het gevoel dat dat sterker aan het worden is,’ zegt Huibers. ‘Je hoort het van verschillende kanten. En ik denk dat men op de goede weg is. We hebben er onlangs hier in Domburg nog over vergaderd met mensen van de gemeente. Men wil proberen weer aan het culturele karakter te werken, daar is jarenlang niets of weinig meer aan gedaan. We zien dat ook het Marie Tak van Poortvliet Museum hier actief is, daar wordt werk van Lucy van Dam van Isselt geëxposeerd, volgend jaar willen ze een overzichtstentoonstelling maken van Mies Elout -Drabbe. En natuurlijk gaan wij in Het Noorderlicht ook door met het levend houden van de Domburgse reputatie.’
William Rothuizen
*) De gegevens over Maurice en Sárika Góth zij ontleend aan Francisca van Vloten: En het leven droom. De kunstenaarsfamilie Góth, Zeeuwse Katernen, 1992.
















