Kunsthandel studio 2000Collectie Kunsthandel Studio 2000Kunstenaars Kunsthandel Studio 2000DomburgJan Toorop Kunsthandel Studio 2000Highlights  Kunsthandel Studio 2000Expositie en tentoonstellingen bij Kunsthandel Studio 2000

Jan Toorop en Les XX

 

Als alle facetten van het oeuvre van Jan Toorop (1858-1928) aan bod zouden komen op een expositie dan zou de bezoeker zich af en toe hebben afgevraagd of hij niet op een groepstentoonstelling terecht is gekomen. Alleen aan de hand van de signatuur - hoewel ook niet altijd dezelfde - kan geconstateerd worden dat we met èèn en dezelfde persoon te maken hebben. Zo veelzijdig is het werk van Hollands beroemde zoon uit het fin de siècle. “Top”, zoals Jan Theodoor Toorop door zijn vrienden genoemd werd, beschikte over een feilloze antenne voor wat er aan verruimende en vernieuwende tendenzen in de lucht hing zo’n ruime honderd jaar geleden toen de moderne kunst werd geboren. En belangrijker nog, hij had het talent en de persoonlijkheid om zijn eigen kunstenaarschap onmiddellijk te laten meetrillen. De internationaal geörienteerde Toorop was vanaf het begin van zijn kunstenaarschap bezig om opeenvolgend maar zelfs ook tegelijkertijd verschillende schilderkunstige stromingen in zijn werk op te nemen. Zijn radar voor artistieke vernieuwing voerde hem langs de wegen van het realisme, impressionisme, pointillisme, en symbolisme en dan hebben we het nog niet eens over zijn prachtig mooie tekeningen en grafiek, zijn Jugendstil, of zijn ontwerpen voor affiches en boeken.

 

Dat Toorop in het kunstzinnige Europa van zijn dagen als een belangrijk man werd beschouwd, blijkt uit zijn contacten, ontmoetingen en vriendschappen in onder meer Nederland, Frankrijk, België, Engeland, Duitsland en Oostenrijk waar hij velen van de toen belanrijkste kunstenaars (schilders, dichters, schrijvers, architecten, musici) in zijn onmiddellijke omgeving had. Zo was hij in Brussel de enige Nederlander die werd toegelaten tot de vernieuwende groep 'Les Vingt' (Les XX) waarvan de Fransen Auguste Rodin en Paul Signac, de Griek Pantazis en de Spanjaard Regoyos de andere buitenlandse leden waren.

De Belg James Ensor, een der oprichters van de groep, was zeer kritisch in zijn toelatingsbeleid. In Engeland behoorden de baanbrekende ontwerper William Morris en de schilder James Whistler tot zijn vrienden, in Nederland onder andere Jan Veth, Antoon Derkinderen en Berlage. Ook zijn optreden als pianist, samen met de beroemde cellist Pablo Casals en de toen vermaarde violist Eugène Ysaye bewijst zijn status als VIP rondom het fin de siècle. Door zijn vele internationale contacten en zijn verbondenheid met de gehele Europese kunst, vormde hij een belangrijke schakel tussen Nederland en het internationale kunstgebeuren. Hij heeft baanbrekend werk verricht, niet alleen door steeds als een der eersten open te staan voor nieuwe ontwikkelingen in de beeldende kunst, maar door deze nieuwe tendenzen onder de aandacht te brengen bij zijn Hollandse collega-kunstenaars, zoals in 1892 de geruchtmakende expositie van de twee jaar daarvoor overleden Vincent van Gogh.

 

Kortom, Toorop was een zoeker en uitermate gevoelig voor nieuwe opvattingen, inclusief het katholisme, boeddhisme, socialisme en anarchisme. Hij reisde veel, was erudiet, musiceerde uitstekend, kende zijn talen, schijnt een allercharmantste en onderhoudende persoonlijkheid te zijn geweest, en had daardoor talloze vrienden in binnen- en buitenland.

Jan Toorop, in Poerworedjo op Java geboren als zoon van een daar gestationeerde Nederlandse regeringsfunctionaris en een Javaanse-Chinese moeder, vertrok op 13-jarige leeftijd naar Nederland om er zijn overigens weinig succesvolle schoolopleiding voort te zetten. Nadat zijn vader door toedoen van de Haagse verzamelaar Ahn ervan overtuigd was dat de toekomst van zijn zoon in de kunst lag, kon Jan Toorop zijn opleiding aan de kunstacademies van Amsterdam en Brussel volgen. Na vier jaar les te hebben gehad aan de Amsterdamse Rijksacademie (van 1878 tot 1882) vertrok Toorop in '82 met zijn Amsterdamse academiegenoot Derkinderen naar Brussel om daar de cursussen te volgen aan de Academie Royale des Beaux-Arts. Brussel was in de tweede helft van de negentiende eeuw het centrum van een opmerkelijke vernieuwing in de schilderkunst (Les Vingt), de literatuur (“La Jeune Belgique” en “Van Nu en Straks”) en het toneel, terwijl Henry van de Velde en Victor Horta met de “Art Nouveau” aan de weg timmerden.

 

Die Brusselse jaren - hij verbleef er tot 1890 - zijn bepalend geworden voor Toorops verdere leven. Doordat hij vanuit Brussel ook regelmatig Parijs bezocht, was hij binnen korte tijd op de hoogte van het werk van de impressionisten (Monet, Manet, Sisley, Renoir, etc), de neo-impressionisten (Gauguin, Bernard, Denis, Van Gogh), de pointillisten (Seurat, Signac), en van het werk van Odilon Redon, misschien wel de beroemdste symbolist van zijn tijd. Tevens stak hij van tijd tot tijd het Kanaal over om in Londen bij Matthijs Maris en James Whistler langs te gaan. Het Brusselse milieu leerde Toorop dat kunst niet gebonden mag zijn aan een eng nationalisme maar dat ze in wezen internationaal van karakter is. In Brussel exposeert hij ook voor het eerst, samen met Derkinderen en de Belg Georges Lemmen bij de vereniging L’Essor, waarvan de beide Hollanders in 1883 lid werden. Kort daarop komt Toorop in contact met Les Vingt, een vereniging van ongeveer twintig kunstenaars die zich verzetten tegen de schilderkunst die aan de Academie werd onderwezen, en voorstanders zijn van wat zij de nieuwe vrije kunst noemden. Daarover hadden zij evenwel geen nieuwe theorieën zodat op de Salons van Les Vingt in de loop der jaren (1884-1893) impressionisme, pointillisme,symbolisme en art nouveau naast elkaar voorkwamen. De leden van Les Vingt beschouwden alle kunsten als één. De kritieken op het werk van Toorop, o.a. in L’Art Moderne, het orgaan van Les Vingt, zijn positief genoeg om hem in het najaar van 1884 te accepteren als lid.

 

Van een echt persoonlijke stijl is bij Toorop in zijn vroege Brusselse tijd nog niet veel te bespeuren. Er is sprake van een zeker gedempt impressionisme; er is iets van de zwaarte van het noorden terug te vinden. Het meedoen aan Les Vingt zou daar verandering in brengen. Les Vingt organiseerden hun eerste tentoonstellingen naar het voorbeeld van de avant-garde groep L’Essor waaruit zij waren voortgekomen. Om kunstzinnige redenen hadden Van Rijsselberghe, Khnopff en enkele anderen zich daaruit los gemaakt in 1883. Op voorspraak van Toorop exposeerden in '85 Jozef Israëls, Jacob Maris en Anton Mauve als genodigden uit Holland. Op de lijst van andere buitenlandse gastexposanten van Les Vingt prijken namen als Whistler, Monet, Renoir, Pisarro, Toulouse-Lautrec, Gauguin, Sisley, en Denis. Les Vingt werd gedragen en bestuurd door twee kunstzinnige Brusselaren, Octave Maus en Edmond Picard. Maus was een uitstekend pianist, een begaafd spreker maar vooral een goede orga¬nisator. De advocaat Picard hield eenmaal per week een salon die bezocht werd door vrijwel alle kunstenaars, onder wie ook schrijvers en musici. Picard formuleerde theorieën over het kunstenaarschap: dit moest vrij zijn, en zich naar eigen aard en geweten uiten, ongeacht alle conventies of voorschriften. Picard benadrukte “les apporteurs du neuf”, ofwel “zij die het nieuwe brengen”. Toorop deed vanaf 1885 ieder jaar mee, tot in 1893 Les Vingt werd opgeheven en het volgende jaar overging in La Libre Esthétique, waarmee hij tot en met 1908 regelmatig exposeerde. In het eerste expositiejaar van Les Vingt toonde Toorop ‘De arrestatie’ en ‘Dame in het wit’.

 

Toorops eerste schilderijen uit die tijd, zoals Eerbied voor de Doden (1884) zijn tamelijk realitisch en doen denken aan het werk van Courbet en Manet. Later toont zijn werk een grovere toets omdat hij met het paletmes gaat werken. In 1883 en 1884 woont en werkt hij buiten Brussel in Machelen, een dorp bij Vilvoorde, samen met een groep andere kunstenaars (onder wie William Degouve de Nuncques). Onderwerpen vinden zij in het landschap en het dorpsleven. Naast Degouve de Nuncques leert de jeugdige Toorop andere Belgische kunstenaars kennen, onder wie Theo van Rijsselberghe, Fernand Khnopff, Felicien Rops, James Ensor en Henri de Groux. Zij allen maakten deel uit van Les XX.

In 1885 schreef Toorop aan Annie Hall: “Ik ben arm in geld, maar rijk door mijn talent, mijn wil en mijn gezondheid.’ Een gezondheid die twee jaar later danig op de proef gesteld werd toen bij hem een ‘venerische ziekte’geconstateerd werd en hij op het randje van de dood zweefde. Toorop hield er blijvend letsel aan zijn linkerbeen aan over waar hij de rest van zijn leven veel pijn van had. “De kunst is voor mij een hoekje van de natuur dat ik zelf uitkies en dat ik door mijn eigen temperament attaqueer. Ik heb een artistieke aard die denkt, die liefheeft en die werkt.“

In Machelen woonden ook zijn dierbaarste vrienden Henri de Groux en William Degouve de Nuncques, met wie hij in '85 naar Parijs ging om de begrafenis van Victor Hugo bij te wonen. Hoe ‘gewoon’ Toorop wel was blijkt uit een brief van Degouve in 1902 aan de criticus Albert Plasschaert: ‘Onze eerste ontmoeting vond plaats in de herberg van Machelen en dadelijk voelden we een sterke sympathie voor elkaar die groeide tot een warme, blijvende vriendschap. Altijd was Toorop in contact met eenvoudige mensen; hij hield ervan met hen te praten en hij interesseerde zich voor hun werk.”

 

Die instelling had Toorop gemeen met de gebroeders Jules en Georges Destree, die, hoewel kunstcritici, leefden tussen de boeren en plattelandsbewoners. Zij namen Toorop mee naar de beruchte Belgische mijnstreek de Borinage, waar arbeiders en hun gezinnen onder erbarmelijke omstandigheden leefden en waar ook Vincent van Gogh gewoond en gepreekt had. Zij maakten gevechten mee tussen arbeiders, politie en het leger. Ook ging Toorop in 1885 naar Londen om de familie van zijn aanstaande vrouw Annie Hall te bezoeken. In de Engelse hoofdstad zag hij, net als in de Borinage, dat de verpaupering ontzagwekkend was. In navolging van de nu vergeten Engelse schilders Frank Holl en Frank Bromley schilderde Toorop bij wijze van aanklacht de bedelaars, de ellende en de verloedering in donkere stemmingsschilderijen. Er moeten veel meer werken naast bijvoorbeeld De Arrestatie bestaan waaruit de overigens zeer ideële sociale bewogenheid van Toorop en zijn - vage - politieke opvattingen spreken. Toorop was wel begaan met de ‘onderdrukten’ maar had meer oog voor het schilderachtige. Dezelfde indruk wordt gewekt met de werken die hij maakte bij zijn eerste bezoek aan Londen in gezelschap van Georges Destree en Emile Verhaeren. Deze schilderijen uit 1884-85, meestal tamelijk groot van formaat, geven straattaferelen weer en riviergezichten, in een ingetogen impressionistische trant. Zij zijn meer gezien met het oog van een toeschouwer. Toorop stelde wel belang in de mensen die hij zag en weergaf, maar wat hij zocht bij anderen was een gelijke geestelijke instelling, waarbij afkomst of beroep hem volledig onverschillig liet. In zijn verbale beschouwingen kon Toorop onduidelijk en vaag zijn, maar in zijn vroege schilderijen is hij dat niet. In een werk als “Eerbied voor de doden” is hij zeer evenwichtig van compositie, fijn van kleur en stemming, met een verre herinnering aan Courbet, Corot of Harpignies.

 

In 1884 had de 26-jarige Toorop de frêle Engelse Annie Hall ontmoet, die in Brussel Frans en muziek studeerde, en waarmee hij een jaar later in het huwelijk trad. Opnieuw ging hij naar Engeland, nu voor enkele maanden (in 85 en 86), naar het landgoed van de familie in Kenley, Surrey. Toorop had grote interesse voor het kunstzinnige in Engeland. Via Sir Laurens Alma Tadema - een beroemdheid in die dagen - ontmoette hij Whistler aan wie hij zich zeer verwant voelde. Beiden kozen graag voor zachte kleuren, in het bijzonder het wit. In Engeland maakte hij zijn bekende impressionistische werken zoals Trio Fleuri en het portret ‘Annie in Lissadell’.

In een brief aan Annie Hall laat Jan Toorop doorschemeren niet zo goed met de Franse impressionistische schilderwijze overweg te kunnen: hij vindt ze te luid, te oppervlakkig in hun waarneming en hij betwijfelt of met enkele penseelstreken een beweging, persoon of landschap even kernachtig gekarakteriseerd kan worden als bij een wat aandachtiger beschouwing. De nog jonge Toorop ontwikkelt een eigen impressionistische stijl die gedempter, decoratiever en stiller is, die grover is opgezet met het paletmes en waarin vooral het wit het gewicht van een eigen kleur krijgt. De voorgestelde personen zijn over het algemeen dromerig, melancholiek en verzonken in overpeinzing. Het is duidelijk dat Toorop behalve de indruk van het moment zelf, ook de meer algemene geestesgesteldheid van het model - indien aanwezig - wil weergeven. Als een expressionist schildert hij met het paletmes zijn model: bijna abstract, zonder enige detaillering. Ook in het prachtige “Boerin in boomgaard” (voorheen collectie Studio 2000), een paar jaar geleden terecht door Herald Tribune-kunstcriticus Souren Melikian als “magistraal”omschreven, laat Toorop zien hoe virtuoos hij het paletmes hanteert. In het onlangs door Studio 2000 verworven grote doek “Boerin in koeienstal” (72 x 100 cm, afgebeeld bij dit artikel op pag. 33), dat Toorop hoogstwaarschijnlijk in zijn Machelse tijd maakte, is duidelijk te zien dat hij toen graag in grote vlakken werkte, zijn kleuren comprimeerde, en het paletmes uitbundig hanteerde. Curieus blijft dat op het spieraam te lezen valt dat het schilderij is verhandeld in Engeland. Wellicht heeft Toorop dit grote schilderij in 1886 als voorbeeld meegenomen naar Londen.

 

In Machelen was Toorop bevriend geraakt met de Griek Pantazis, van wiens impressionistische schildertrant in België veel invloed uitging. Pantazis was een leerling van de grote Courbet. Van Pantazis en de Belgische schilders Ensor en Guillaume Vogels had de nieuwsgierige Toorop het gebruik van het paletmes leren kennen. “Courbet”, zei Toorop later, die zich ook liet inspireren door Manet wiens werk hij in 1884 en 1885 in Parijs had gezien, “Courbet hanteert het tempermes nog forser dan Manet, en dat trok mij aan.” Wat Toorop met de impressionisten gemeen had, is niet zozeer het coloriet, maar wel de vrije observatie en het weglaten van de contour. Het leverde een aantal schitterende vroege werken op.

Telkens weer zien wij in die impressionistisch getinte olieverven uit Toorops Brusselse en Engelse jaren een schilder die met name in de ‘abstracte’ partijen dingen doet, zoals later action-painters en materie-kunstenaars het wilden doen: grandioos van kleur en factuur.

Wie durft nog te zeggen dat de ‘vroege’ Jan Toorop alleen maar een schilder van zijn tijd was?